Sri Lanka

Utrecht - Negombo 

Waar gaat de reis deze keer naar toe?” vraagt de douanebeambte op Schiphol al bladerend door onze paspoorten. “Sri Lanka” antwoorden wij verbaasd over deze interesse in ons reisgedrag. “Toe maar! Nou, goede reis”. Al met al hebben we in de afgelopen drie jaar inderdaad nogal wat stempels en visa in onze paspoorten verzameld. Voor Sri Lanka is een visum niet noodzakelijk indien je korter dan een maand blijft. De fietsen zijn dan al ingeleverd bij de Martinair incheck balie. Zoals de meneer achter de balie zei “ze mogen gratis mee”. Nou, dat is niet helemaal waar, we hadden immers al extra betaald om 20 kg bagage mee te mogen nemen plus de fiets. We hebben daarbij bijgeboekt voor de “nieuwe” comfortclass van Martinair. Hierbij krijg je iets meer beenruimte en een persoonlijk inflight entertainment programma. We zagen het niet zitten om tijdens de vlucht tien uur lang naar het gemeenschappelijke scherm ergens ver weg te moeten staren. Daarvoor is de vlucht te lang en kunnen we allebei helaas niet goed genoeg slapen in een vliegtuig. De vlucht sleept zich zoals altijd voorbij en na tien uur kunnen we gebroken het vliegtuig verlaten.


Op het vliegveld in Sri Lanka worden we opgewacht door een reisagent, tenminste dat is de bedoeling. Even zijn we bang dat we wellicht wat gemist hebben. Je zou toch zeggen dat degene die ons moet komen ophalen zich niet in ons kan vergissen, de twee fietsen op het karretje vallen nogal op. Even is er wat spraakverwarring met een meneer met een OAD-bordje onder de arm, wij hebben bij Vlieg & Fiets geboekt. Maar als hij het briefje laat zien waar onze namen op staan gekriebeld, blijkt hij toch voor ons bedoeld te zijn. Het is een klein half uur rijden van het vliegveld naar het hotel in Negombo. Negombo ligt een stuk dichter bij het internationale vliegveld van Sri Lanka dan Colombo, waardoor veel toeristen in eerste en laatste instantie in Negombo verblijven. Wat ons opvalt is dat er nogal veel dames met opengevouwen paraplu’s op straat lopen, terwijl het nog donker is en niet regent. In het hotel blijken ze ons inderdaad te verwachten, zelfs op het onzalige tijdstip dat wij er arriveren. Maureen geeft de man die onze fietstassen naar de kamer draagt een dollarbiljet. De man komt terug in lichte paniek. Maureen snapt in eerste instantie even niet wat het probleem is. De man wijst naar het dollarbiljet dat in een hoek gescheurd is. Snel wisselt Maureen voor de man het biljet om. Toen hadden we de Sri Lankaanse rupees nog niet gezien. We hebben in de weken die volgde regelmatig rupees gezien die in een veel slechtere staat waren dan dat dollarbiljet.


Aangekomen in de hotelkamer willen we alleen maar slapen. Het is nog geen zes uur ’s ochtends in Sri Lanka en met vijf uur tijdverschil is het voor ons dus midden in de nacht. Rond de middag zijn we voldoende bijgeslapen om eens te gaan kijken hoe de rest van het Golden Star Beach Hotel eruit ziet. De kamer is namelijk eigenlijk niet om aan te zien. Eerst proberen we de menukaart maar eens uit, niets bijzonders maar wel goedkoop. De buitenzijde van het hotel is op zich niet onaardig, maar de keuken en de kamers laten te wensen over. We denken dat het hotel vooral geld verdient met feesten en partijen. In de twee dagen dat wij er zitten, zien we twee bruiloftsfeesten en een kerstreceptie. Op de tweede dag gaan we op de fiets naar de markt in Negombo. Eigenlijk gaan we op zoek naar slippers voor onder de douche. We hebben voor nu onze Shimano fietsschoenen bij ons en onze Keen-wandelschoenen. Dat zijn een soort luchtige wandelschoenen die we bedoeld hadden om tevens als slippers te gebruiken. Ze drogen alleen minder snel dan we hadden verwacht, dus gaan we toch maar investeren in een paar echt slippers. We vinden op de markt alleen vis. Vrij snel worden we aangesproken door twee mannen die ons een rondleiding willen geven. Heel even komt in gedachten de silkfactory naar boven waar we het jaar ervoor in Bangkok intuinden. Maar we laten ons toch meenemen. We zien allerlei vissen van zwaardvissen tot enorme tonijnen, van een papegaaivis in bizarre kleuren tot bergen met drogende sardines. De man vertelt ons dat tijdens de tsunami zijn kinderen zich heldhaftig aan een boom hebben vastgehouden. Hij wijst aan waar vroeger zijn huis zou hebben gestaan. We vinden het niet het juiste moment om hierover in discussie te gaan, maar zijn toch echt in de veronderstelling dat de tsunami niet ten noorden van Colombo had toegeslagen. We geven hem een paar dollar voor zijn rondleiding en nemen snel afscheid als hij over Foster Parents kinderen begint.  

Negombo - Anuradhapura

Op zaterdag pakken we onze spullen weer in om te beginnen aan de eerste fietsdag. Volgens het routeboekje is het meteen een zware fietsdag; de dagafstand is ruim 75 kilometer. Niet ver maar ook niet echt weinig als je al geruime tijd weinig hebt gefietst. Als de dagafstand korter was geweest, hadden we het waarschijnlijk niet minder zwaar gevonden. De eerste dagen op de fiets in een tropische omgeving is voor ons altijd even wennen. Het duurt meestal een paar dagen voor we voldoende gewend zijn aan de warmte, het verkeer en het fietsen op zich voordat we een beetje lekker ontspannen op de fiets zitten. Zo’n eerste fietsdag staat de bestemming van die dag meer centraal dan de weg ernaar toe. Tel daarbij op dat de weg bepaald niet vlak is en dat we getrakteerd worden op flink wat regen onderweg en dan kun je je wellicht voorstellen dat we blij zijn als we in Kurunegala een hotel vinden. Kurunegala is niet bepaald een toeristische trekpleister maar dat gaat grotendeels aan ons voorbij als we liggen bij te komen van de eerste fietsdag. Het blijft de hele middag en avond grijs en nat. We waren nog van plan om het stadje in te gaan op zoek naar eten en drinken, maar besluiten toch vooral in het hotel te blijven. De hotels in Kurunegala zijn gelegen rond een meer dat niet echt op loopafstand van  het stadje ligt. Tenminste, niet als het regent. De eigenaar van het hotel waarschuwt ons alvast dat de weg van Kandy naar Nuwara Eliya momenteel slecht is en dat er hard aan gewerkt wordt, wij maken er ons niet druk om; het duurt nog even voor we daar zijn en dan zien we wel verder.


De tweede fietsdag brengt ons in 60 kilometer van Kurunegala naar Dambulla. Onderweg zien we onze eerste olifant: achterop de vrachtwagen. Niet helemaal zoals we onze eerste “wilde” olifant hadden voorgesteld, maar voor ons toch een bijzonder gezicht. In Dambulla hebben we vervolgens nog de hele middag de tijd om een bezoek te brengen aan de "Cave Temples". Een van de weinige keren dat we wel eens een tuktuk willen huren om ons naar het complex te brengen. En je snapt het al: natuurlijk geen ongebruikte tuktuk te bekennen. Normaal struikelen we erover, maar nu blijken ze allemaal al in gebruik te zijn, lopen dan maar. De Cave Temple van Dambulla is op zich niet te missen. Een foeilelijke immens grote gouden Buddha is gesitueerd bij de ingang. Het Buddhistisch museum dat tevens op het complex is gesitueerd is voorzien van een opzichtig goudkleurige monsterkop met enorme uitpuilende plastic ogen die in de Efteling niet zou misstaan. Het ding is echt te lelijk voor woorden maar doet wat hij moet doen: toeristen trekken. We moeten een flink aantal trappen op om bij het tempelcomplex uit te komen. Zo midden op de dag krijgen we het er goed warm van. Een flesje water meenemen zou niet onverstandig zijn geweest. De schoenen moeten bij de tempels uit en eventuele hoofddeksels af. Een gids lijkt ons wat overdreven op deze plek. We lopen zelf door de verschillende rotsen waar de vele Buddha beelden in geplaatst zijn. Cultuurbarbaren als we zijn, hebben we het eigenlijk wel snel gezien. Het is wat ons betreft vooral een grote verzameling sterk op elkaar lijkende beelden, waar we allemaal niet heel erg warm voor lopen (nou ja, figuurlijk dan, want we krijgen het er wel warm van). We krijgen de indruk dat gemiddelde toerist er hetzelfde over denkt maar toch wat blijft rondhangen om de stevige klim te rechtvaardigen.


De dagafstand van Dambulla naar Anuradhapura van slechts 65 kilometer geeft ons eveneens de mogelijkheid om ’s middags de ruines te bezichtigen. We krijgen onderweg gezelschap van een groepje wielrenners. Ze blijken deel uit te maken van het wielren team van het Sri Lankese leger. We kunnen niet veel meer met ze bespreken dan dat de man een mooie racefiets heeft en dat hij antwoord dat het een Amerikaans merk is (Cannondale) en dat hij een vriend heeft die Amerikaans is. Maar de wielrijders vinden het wel prima om gewoon naast ons te blijven rijden. Aan hun kuiten te zien, fietsen zij wat vaker dan wij dus het heeft geen zin om te proberen ze eruit te fietsen. Dus wachten we geduldig tot onze nieuwigheid eraf is en ze hun interesse verliezen. Dat duurt even, maar uiteindelijk gaan ze toch weer in hoog tempo door. Op slechts enkele kilometers van Anuradhapura worden we teruggeroepen door een paar soldaten. Ze vinden het niet goed dat we, zoals onze routebeschrijving ons aangeeft, over de weg langs het militaire vliegveld de stad willen binnenrijden. Ze sturen ons terug om via een andere weg de stad in te komen. We proberen ons nog even van de domme te houden maar het wapentuig dat de mannen bij zich dragen maakt voldoende indruk om toch maar hun aanwijzingen op te volgen. We moeten hierdoor flink zoeken om erachter te komen waar we zijn als we eenmaal in de stad zijn aangekomen; we komen immers via een andere kant de stad binnen dan in ons routeboekje staat. We willen een kamer in het Miridiya Hotel. Volgens de Lonely Planet (uit 2003) kost een kamer iets minder dan 30 US dollar. We hebben direct door dat de medewerkers achter de balie ons niet heel graag willen hebben, we moeten nogal lang wachten terwijl men zichtbaar nergens anders mee bezig is. De manager moet erbij komen die ons verteld dat een kamer 98 US dollar kost. Dat vinden we natuurlijk absurd, dus gaan we weer weg. Achteraf vinden we het jammer dat we niet toch hebben gevraagd om de kamer te zien en eventueel om een nog duurdere kamer te vragen.

We waren net voor we bij het hotel om een kamer gingen vragen al gespot door een Tuktuk chauffeur. Hij had een heel verhaal over een excursie en dat hij wel een hotel wist. We liegen natuurlijk tegen hem dat we al een reservering hebben, maar hij staat ons op te wachten als we zonder kamer uit het Miridiya hotel stappen. Patrick heeft een heel gesprek met de man gevoerd en is redelijk overtuigd dat de man goed Engels spreekt. We spreken dan ook met hem af dat hij ons die middag voor een lente tariefje het oude Anuradhapura mag laten zien. De oude stad is nogal wijd verspreid en we hebben geen zin om ’s middags te gaan fietsen. Helaas blijkt tijdens onze tour dat het Engels toch enigszins beperkt is. Als we een vraag stellen krijgen we doorgaans een antwoord dat we al eerder in zijn monoloog gehoord hebben en weinig met onze vraag van doen heeft. Het notitieboekje is het enige houvast dat de man heeft en wij hebben regelmatig grote moeite om te blijven volgen. Onze gids wordt door de bewakers bij de ingang van diverse complexen uitgelachen omdat hij zo midden op de dag ons moet rondleiden. De meeste toeristen komen namelijk ’s morgens. Al met al zijn we van Anuradhapura niet heel erg gecharmeerd; het zijn toch vooral ruines die zichtbaar zijn. Als onze gids ons verteld dat “the palace of the king had 100 rooms and was seven stories high”  en het enige dat wij daarvan terugzien is zo’n honderd heipalen, dan is het voor ons toch wat lastig om dat paleis te kunnen voorstellen. En tja, 100 palen... niet echt iets waar wij lyrisch van worden. We laten de berg oude stenen voor wat ze zijn en fietsen de dag erna richting Sigiriya.

Anuradhapura - Polonaruwa

In Sigiriya nemen we onze intrek in het Sigiriya Guesthouse, dat bij mooi weer uitzicht geeft op de Sigiriya Rots. We zullen hier een rustdag besteden aan het beklimmen van de imposante rots.  Het rotsblok op zich is een bijzondere verschijning, niet bepaald over het hoofd te zien. Het is een vrij rechthoekige rots dus in dat opzicht makkelijk te bebouwen. Dat is dan ook wel het enige makkelijke opzicht dat we kunnen bedenken. We hebben de middag na aankomst in Sigiriya onze gebruikelijke routine van douchen, eten, wassen en eventueel noodzakelijk fietsonderhoud. Dat laatste is zeker voor de kettingen wel nodig. Daarna gaan we het dorp verkennen. Daar hoef je niet veel tijd voor uit te trekken; het is nogal een klein dorp. Tot onze verbazing en enthousiasme vinden we wel een mogelijkheid om te internetten. Normaal zouden we geneigd zijn om “internetcafé”  te schrijven maar dat is voor Sigiriya een overdreven begrip: er staat welgeteld een computer achterin de winkel waar je ook frisdrank, levensmiddelen en (wel weer erg modern) geheugenkaarten voor je digitale camera kunt kopen. Maar ach, we kunnen het thuisfront weer op de hoogte brengen van onze vorderingen deze vakantie. 


De volgende ochtend gaan we de rots beklimmen. Patrick heeft met behulp van het kaartje in de Lonely Planet verzonnen dat we bij de uitgang van het hotel niet rechtsaf slaan maar linksaf. Om dan een klein stukje over de weg te moeten en dan zullen we kunnen afslaan richting de hoofdingang van de rots. Tot zover het plan... we lopen veel verder dan we volgens de schaal van het kaartje zouden moeten, maar komen niet bepaald een afslag richting de rots tegen. Na een paar kilometer besluiten toch maar terug te keren aangezien we niet geloven dat de beoogde afslag zo ver weg ligt. Als we ons hotel hebben gepasseerd, komen we na een paar honderd meter links bij de ingang, tja eigenwijs en zo. We hebben vooraf toch wat opgezien tegen het beklimmen van de rots, maar het viel ons reuze mee. Slechts het stuk na het platform met de leeuwenpoot (tenminste men zegt dat het dat is, het is ons een raadsel waarom iedereen dat op de foto zou willen zetten) met de gammele trapconstructie vonden we wat minder prettig. Dat komt omdat we dan in onze hoofden de krantenkop “doden en gewonden bij instorten trap” al kunnen zien. Volgens de overlevering heeft een Sri Lankaanse koning in de 4e eeuw het paleis op de rots laten bouwen omdat hij ruzie had gemaakt met zijn halfbroer. Uit angst voor wraak van deze halfbroer wilde hij hem goed kunnen zien aankomen. En dat lukt zeker zo bovenop die rots. De gevreesde aanval van zijn halfbroer kwam uiteindelijk toch, waarbij de koning ten strijde trok. Hij had beter op zijn rots kunnen blijven wachten, want hij is verdwaald in een moeras en daar gestorven of zelfs uit schaamte zelfmoord gepleegd. Wij zijn gewoon weer via de trap naar beneden gegaan en terug naar het hotel gelopen. Dat laatste doet trouwens geen enkele toerist, iedereen komt in een taxi of tuktuk. Het vreemde blijft wel dat zij allemaal wandelschoenen aanhebben en wij niet.


Van Sigiriya fietsen we naar Polonaruwa, eveneens een stad uit de “gouden driehoek” van Koningssteden. We nemen onze intrek in Gajaba Hotel. In een vlaag van verstandsverbijstering (ook wel te beschouwen als misplaatste gierigheid) nemen we een kamer met fan, maar zonder airco. De kamer is muf en we hebben een eenpersoons muskietennet boven een tweepersoons bed. Een muskietennet valt voor ons in dezelfde categorie als een douchegordijn: het komt altijd tegen je aan terwijl het te vies is om vast te pakken. In Polonaruwa gaan we de oude stad bezichtigen. Maar aangezien we eerst zo’n 80 kilometer hebben gefietst en daarna twee uur (niet overdreven) hebben moeten wachten in het hotel tussen het vragen of we kunnen lunchen en het betalen van de rekening (we aten een sandwich, meer was het niet), zijn we er op het warmst van de dag. Hoewel in Polonaruwa iets meer overeind staat dan in Anuradhapura, vinden we ook toch vooral veel funderingen verborgen onder stapels oude stenen. Patrick geeft het daarom ook al snel op en gaat met een zwerfkat op een bankje in de schaduw zitten terwijl Maureen de stenen bewonderd. ’s Avonds zitten we wederom twee uur te wachten op ons avondeten. We zijn dan iets beter voorbereid; we hebben allebei een boek meegebracht, zijn ingesmeerd tegen de muggen en vragen bij het afruimen direct de rekening. Het maakt het wachten niet bepaald korter, maar wel minder vervelend. De volgende ochtend kunnen we het niet opbrengen om nog eens zo lang te wachten op het ontbijt. We eten wat koekjes en stappen dan op de fiets richting Nalanda.

Polonaruwa - Kandy 

Na Polonaruwa begint in onze route het klimgedeelte, via Nalanda fietsen we in twee dagen naar Kandy en vandaar in twee dagen naar het hoogste punt van onze fietsroute in Sri Lanka: Nuwara Eliya. We hebben een relatief kleine weg tussen Polonaruwa en Nalanda. De verkeersdrukte valt reuze mee, maar de bussen blijven onverminderd vaak en hard voorbijkomen. In andere Aziatische landen waar we tot op heden hebben gefietst, waaronder Maleisië, Vietnam en Cambodja, was het aantal brommers groot. In Sri Lanka valt ons al vrij snel op dat het aantal brommers relatief laag is. Het overgrote deel van de Sri Lankaanse bevolking verplaatst zich per bus. Nog nooit hebben we zoveel bussen voorbij zien en vooral horen komen. En nog nooit zijn we zo zwart geworden van het fietsen. Aan het einde van een fietsdag zitten we onder de zwarte vegen van het roet.


De weg van Nalanda naar Kandy is duidelijk een toeristische weg. De ene kruidentuin na de andere wordt aangeprezen en allemaal zijn ze goedgekeurd door de Ceylon Tourist Board. De logica van de nummering ontgaat ons volledig. Je kunt rustig Spice Garden nr. 825 naast Spice Garden nr. 1000 hebben liggen om vervolgens twee kilometer verderop weer een Spice Garden nr. 1000 tegen te komen. Als we al die zogenaamde toeristische attracties zien, zijn we blij dat we op basis van eigen vervoer en eigen gelegenheid kunnen bepalen waar en wanneer we ergens stoppen. De gemiddelde toerist die in een busje of taxi voorbij komt zal er toch echt aan moeten geloven: leuk zo'n tuin vol (on)kruid! De volgende dag in Kandy krijgen we van Maureen’s zus inderdaad bevestigd dat ook zij in de taxirit van Negombo naar Kandy een bezoek aan een Spice Garden opgedrongen kregen.


Vanaf Nalanda tot Nuwara Eliya zullen we omhoog moeten. Het eerste stuk valt ons in ieder geval reuze mee. Met 19 kilometer per uur omhoog is geen straf. Tot we zo’n 10 kilometer voor Kandy op een weg komen waar het wegdek zo hobbelig is dat we volledig door elkaar worden gestuiterd. Het tempo moet er dus nood gedwongen uit om het materiaal te sparen. Vlak voor Kandy fietsen we door een Moslim enclave. In Sri Lanka is een mix aan geloofsovertuigingen te vinden; Boeddhisten, Hindu, Christenen en Moslims leven naast en met elkaar. We komen hier duidelijk door een moslimgemeenschap, waar de mannen ons doen denken aan Pakistan. De vrouwen lopen er met hoofddoek of zelfs volledig gesluierd. Toch zien we hier, in tegenstelling tot drie maanden eerder in Pakistan, wel vrouwen op straat.

Kandy - Bandarawela

In Kandy slapen we drie nachten in Hotel Suisse, samen met Maureen’s zus en haar gezin, die vanuit Singapore ook in Sri Lanka op vakantie zijn. Hotel Suisse is ons uitstekend bevallen maar als we een typering mogen geven, dan is het toch "Hotel de Vergane Glorie". Het hotel zou er zoveel beter uit zien als de buitenzijde een likje verf zou krijgen, de binnenkant daarentegen is wel redelijk goed onderhouden. De bewaker bij de ingang gelooft niet dat wij, als fietsers, een kamer hebben gereserveerd hebben in het hotel. Dat zal niet de laatste keer zijn tijdens onze fietsreis dat een bewaker ons liever ziet gaan dan komen. We negeren de inhuur Rambo en duwen de fietsen richting de ingang, de man loopt mee en praat wat tegen ons aan. Als Annoek ons tegemoet komt lopen vanuit het hotel druipt hij toch maar af. We krijgen ’s avonds het hotelpersoneel zo ver dat we buiten op het gras mogen eten, waar onze nichtjes Lida en Noor lekker kunnen rond rennen als we op het eten wachten. Het diner begint eigenlijk pas later op de avond, maar dat is met kleine kinderen nogal aan de late kant. We denken dat het hotelpersoneel het uiteindelijk ook een veel betere oplossing heeft gevonden. De tweede avond is namelijk een bruiloft in de grote zaal grenzend aan de tuin. Die avond moeten we wel in de eetzaal eten tegelijk met de overige hotelgasten. Dat heeft niet iedereen gewaardeerd en voor het hotel personeel was dat een les. De derde avond kunnen we dan gelukkig weer buiten eten voordat het diner begint.

Op de eerste rustdag in Kandy gaan we naar het Pinnewala olifantenweeshuis. Vooraf zijn we een beetje sceptisch over deze populaire toeristische attractie onder het mom “het zullen wel drie schurftige olifanten in een kooi zijn”. Bij aankomst treffen we echter circa zestig olifanten aan waaronder zeker een tiental echt kleine olifantjes die er allerminst schurftig uitzagen. Het voederen met de fles hebben wij weliswaar niet gezien, maar het in bad gaan de olifanten is ook een geweldig gezicht. Ze steken dan onder begeleiding de straat over naar de rivier, waar ze lekker twee uur mogen poedelen. De mannelijke olifanten liggen wel aan de ketting en worden door hun verzorger naar de rivier gereden. De vrouwelijke en jonge olifanten lopen zelfstandig. Wij kunnen echt een hele tijd blijven kijken naar de met water spelende olifanten die zichzelf een douche geven. Al met al moeten we toegeven dat het erg toeristisch is maar wel heel erg leuk en zeker de moeite waard!


Op onze tweede rustdag in Kandy hebben we weinig op het programma staan. Dat is maar goed ook want Patrick voelt zich niet fit. Een gevoel van algehele malaise, hoofdpijn en lichte koorts houden hem een groot deel van de dag in bed. Annoek en Haiko maken zich wat zorgen over malaria, aangezien hij ook een vieze smaak in zijn mond heeft. Patrick blijft optimistisch en houdt het op “een hamburger die niets met een hamburger te maken heeft” die hij de dag ervoor toch maar heeft opgegeten. De volgende ochtend is hij volledig opgeknapt. We krijgen nog wel even de waarschuwing mee dat juist een van de kenmerken van malaria is dat je met vlagen last hebt van koorts en dergelijke. Dus we beloven dat we, als we op een later moment weer ziekteverschijnselen zien, bloed zullen laten controleren op malaria. We zijn die ochtend van plan om slechts 36 kilometer naar Pussawela te fietsen. We moeten in een krappe tachtig kilometer zo’n 1.400 meter de lucht in. Dat vinden we te veel om in een dag te willen wegtrappen, zeker omdat we weten dat het echt serieuze klimwerk in het laatste deel van die etappe zit. De staat van de weg tussen Kandy en Nuwara Eliya is slecht, waarbij de ene helft onverhard is omdat men hier aan het werk is. En van de resterende helft van de weg kun je alleen maar hopen dat snel aan de rest van de werkzaamheden zal worden begonnen. Omdat we vroeg zijn vertrokken staan we al rond half elf voor het hotel in Pussawela. Dat vinden we zelf toch wel wat vroeg om de rest van de dag in een basic hotel te moeten rondhangen. Dus fietsen we maar door naar Ramboda, dat ligt op 55 kilometer van Kandy. Onderweg verwachten we ieder moment ingehaald te worden door Haiko en Annoek in een busje onderweg naar Nuwara Eliya. Hun chauffeur neemt echter een andere route omdat hij geen zin heeft in tachtig kilometer gestuiter en opstoppingen. In Ramboda zijn we vervolgens nog steeds voor de middag, aangezien het stuk tussen Pussawela en Ramboda niet bepaald steil is. Dat kunnen we over de oprit van het hotel niet zeggen. Dat is namelijk de steilste oprit die we ooit gezien hebben. Maureen loopt eerst de diverse haarspeldbochten naar beneden om te vragen of een kamer beschikbaar is. Ze hebben meerdere kamers en wij nemen een kamer met fraai uitzicht op de watervallen van Ramboda (vandaar dus het Ramboda Falls hotel). Vervolgens moet ze natuurlijk terug naar boven lopen om Patrick en de fietsen te halen. Het is lopend al bijna niet te doen, dus dat wordt een uitputtingsslag de volgende ochtend. We krijgen dit keer geen uitleg over de airco maar over de verwarming! Die hebben we ’s nachts gelukkig nog niet nodig, onze slaapzakken zijn warm genoeg. Tijdens de lunch is het druk in het restaurant, we zien diverse reisgroepen aanschuiven. Aan het einde van de lunch zien we de diverse chauffeurs langs de kassa gaan om hun beloning op te halen voor het feit dat ze hun gasten naar het restaurant hebben gebracht. ’s Avonds is het restaurant duidelijk een stuk minder druk; alleen wij en nog een andere verdwaalde toerist schuiven aan. 

De volgende ochtend is het inderdaad een fikse klim om weer bij de weg te komen. We durven het niet aan om de tassen al op de fiets te hangen. Terwijl Maureen de rekening betaalt brengt Patrick met wat hulp alvast de tassen naar boven. Daarna nemen we allebei onze eigen fiets mee naar boven. Onder het toeziend oog van de bewaker hangen we de tassen aan de fiets en vertrekken berg op. De eerste drie kilometer van Ramboda naar Nuwara Eliya stijgt de weg vrij sterk. We bedenken allebei dat we dat geen 20 kilometer gaan volhouden. Op het moment dat de twijfels toeslaan wordt de weg gelukkig minder steil, waardoor we weer vertrouwen hebben dat we fietsend boven zullen komen. Later is de weg nog een paar kilometer zwaar trappen, maar verder slingeren we ons langzaam tussen de theeplantages door naar boven. De opgebroken smalle weg met gravel maakt het fietsen er niet eenvoudiger op. Daarnaast hebben we hier en daar nog een malloot in een busje dat ons van de weg af probeert te drukken. De laatste man die dat heeft geprobeerd, krijgt wanneer hij een eindje verder stopt de schrik van zijn leven. Patrick moet even zijn frustratie verbaal etaleren.


In Nuwara Eliya slapen we nog een nachtje in hetzelfde hotel als Annoek & Haiko. Als we aankomen zijn ze naar een theeplantage. We hebben enige moeite moeten doen om een kamer met warm water te krijgen. Eerst wil men ons een uurtje laten wachten, zouden we alvast wat willen eten? Maureen zegt dat we dat niet willen, we willen gewoon een warme douche en ons omkleden. Met enige moeite krijgen we dan toch een kamer. Als Patrick onder de douche wil stappen, blijkt het water niet warm te worden. Maureen moet meerdere malen terug naar de receptie om te mopperen dat we toch echt warm water en handdoeken willen hebben. Uiteindelijk krijgen we na een uur, waarin we het aardig koud hebben gekregen op 2.000 meter hoogte, een andere kamer met een boel warm water. Daarna gaan we een poging doen om te eten. Vervolgens zitten we daar weer een uur te wachten, terwijl we echt niets bijzonders hebben besteld. Gewoon een omeletje. We krijgen een SMS-sje van Annoek dat we ons niet te veel moeten voorstellen van het hotel. Daar waren we inmiddels inderdaad wel achter... Na een uur wachten op het eten zijn we het echt helemaal zat. Als er eindelijk een ober langs komt, vragen we waar ons eten blijft. Ze blijken een probleem te hebben met de gastoevoer. We bedenken dat ze dat misschien zelf hebben veroorzaakt toen ze een poging deden om onze douche aan de praat te krijgen. We houden het wachten voor gezien, dan eten we maar niet. Annoek en Haiko komen terug van de theeplantage, ook duidelijk niet enthousiast over de kwaliteit van het hotel en het eten.


’s Avonds gaan we daarom ergens anders eten. Aangezien we geen zin hebben om pas ’s avonds op zoek te gaan naar een restaurant, Patrick acting as table gaat Maureen ’s middags alvast op zoek. Hotel “The Heritage” ziet er van buiten en van buiten prachtig uit. We hebben weliswaar de kamers niet gezien, maar we willen dit hotel van harte aanbevelen. Net zo duur per nacht als “ons” hotel Alpine maar veel gastvrijer en fraaier. Die gastvrijheid spreekt bijvoorbeeld uit het feit dat we eerder mogen eten dan de keuken officieel opengaat. Met onze nichtjes erbij is dat voor iedereen een beter idee. We krijgen lekker te eten en worden uitstekend geholpen. Dus als je nog een hotel moet uitzoeken in Nuwara Eliya, overweeg dan om te slapen in “The Heritage Hotel” (te vinden en te boeken via http://www.ecotourism-culturaltourism.com). Nuwara Eliya zelf viel wat tegen. Annoek en Haiko hebben bijvoorbeeld de enorme speeltuin bezocht, maar de afwerking ervan was vreselijk kindonvriendelijk (prikkeldraad bij de glijbaan enz). Verder viel ons op dat de lucht nogal smerig was: wellicht dat de stank van de vele bussen wat meer blijft hangen. De volgende ochtend moeten we dan toch echt afscheid nemen van de familie, zij zullen richting Mt.-Lavinia reizen terwijl wij naar het zuiden richting de kust vertrekken. 

Bandarawela - Tangalle

Vanaf Nuwara Eliya dalen wij in een razend tempo af.  Onderweg moeten we nog wel eenmaal zes kilometer en nog een keer acht kilometer klimmen maar dat mag de pret niet drukken. Het lijkt altijd net alsof de afstand die we dalen veel korter en steiler is dan de weg omhoog. Onze benen willen vandaag niet echt meewerken. We hebben in Bandarawela dan ook geen zin meer om nog door te fietsen naar Ella. We nemen onze intrek in het Bandarawela Hotel, dat ofwel van eigenaar is veranderd waardoor het een stuk duurder is geworden, ofwel we zijn nogal afgezet. Het laatste dus. Maar het is een fijn hotel met een enorm hoog bed. Ze hebben een nieuwjaarsarrangement. We hebben een tijdje zitten twijfelen wat we zullen doen op oudejaarsavond. Doorfietsen naar Ella is niet ver genoeg, dat is maar 12 kilometer. Doorfietsen naar Tissamaharama is met meer dan 100 kilometer meer dan we zin in hebben. We kunnen blijven om tijdens oudejaarsavond mee te doen aan het diner in het Bandarawela Hotel. Daar zien we ook een beetje tegenop aangezien het hotel vooral vol zit met Indiase families. Om daar dan met ons tweetjes tussen te moeten de hele avond, tussen mensen die je niet kan verstaan en die elkaar wel kennen, lijkt ons geen goed plan. Het enige alternatief dat overblijft is dat we oudejaarsavond zullen doorbrengen in een basic hotel in Wellawaya. Uiteindelijk kiezen we voor de laatste optie waarbij we net zullen doen als het geen oudejaarsavond is. 

Onderweg naar Bandarawela stoppen we om wat te drinken bij een waterval. We worden zoals wel vaker door de verkopers van souvenirs aangesproken in het Nederlands, zodra ze merken dat we Nederlanders zijn. We zijn niet een heel interessante doelgroep. Wij kunnen de vele verkopers al snel uitleggen dat wij toch echt geen stenen en rotsen (mineralen in hun beleving) gaan meeslepen op de fiets. Gelukkig komt al snel een touringcar vol blanke toeristen en worden we weer snel met rust gelaten. We kijken het zwermen van de vele verkopers om de geirriteerde toeristen nog even aan en stappen op. In Wellawaya nemen we onze intrek in het Saranga Hotel, gezien de omstandigheden de beste optie. Zoals altijd is “the best hotel in town”  bovenal een relatief begrip. De kamer is wat triestig en bedompt en onze natte was zorgt er niet bepaald voor dat de kamer fris gaat ruiken. We kunnen gelukkig buiten wat zitten te lezen in de doorgezakte stoelen. We kunnen ons nog even verbazen om een Japanse collega toerist die het hotel met ons deelt: hij gaat die middag zelfs naar onze mening schaars gekleed het dorp in. ’s Avonds krijgen we een prima maaltijd voorgezet. Als we later op de avond de fietsen binnen zetten, wil de hoteleigenaar weten hoe we bij hem zijn terecht gekomen. We laten hem het fietsrouteboekje zien van Vlieg&Fiets. We leggen hem uit dat een paar overnachtingsmogelijkheden worden genoemd in Wellawaya en dat zijn hotel daarbij als de beste keuze wordt aangeprezen. Hij schrikt als hij de prijs van het hotel ziet staan, hij kan natuurlijk geen Nederlands maar begrijpt wel dat het hotel voor een beduidend lagere prijs in ons routeboekje is opgenomen. We leggen hem uit dat hij niet de enige is die een stuk duurder is geworden. En om nu bij het goedkoopste hotel uit de hele route heftig te gaan afdingen, gaat ons toch echt te ver. De man biedt met het schaamrood op zijn kaken nog aan om wat van de prijs af te doen, wij slaan zijn aanbod af en betalen gewoon de afgesproken prijs: hadden we maar moeten afdingen. We gaan die avond rond negen uur naar bed en de volgende ochtend is het 2006; gewoon een dag als elke andere.

Op nieuwjaarsdag fietsen we naar Tissamaharama waar we een dag extra willen blijven om het Yala National Park te bezoeken. Onderweg naar Tissamaharama regent het hard maar dat deert ons niet echt. De regen is lekker warm en je hebt een stuk minder ons toeroepende mensen onderweg. We fietsen een deel van de dagetappe door Yala National Park maar kunnen geen levend wild zien. Dood wild, slangen, krokodillen en klein kruipspul ligt er genoeg op en langs de weg. Aangekomen bij het hotel regelt Patrick nog voor we de kamer goed en wel hebben bereikt al de jeepsafari voor de volgende ochtend, het voorgenomen afdingen schiet er weer eens bij in. Wanneer Patrick een bidsprinkhaan wil fotograferen die een plant op de gang van het hotel bewoont, loopt het hele personeel zo'n beetje uit om aan te moedigen: de foto's zijn dan ook mislukt (allemaal bewogen).

De volgende ochtend moeten we om vijf uur ons bed uit omdat we om half zes richting het nationaal park zullen vertrekken. We hebben nog niet eerder een dergelijke safari gemaakt en weten niet helemaal wat we er van kunnen verwachten. Zoals normaal voor ons, stellen we ons in op een rip-off en teleurstelling. Het blijkt gelukkig mee te vallen. Na een hachelijke rit in het donker waarbij onze chauffeur op een haar na een brommer zonder verlichting mist, kunnen we afscheid nemen van bijna 80 dollar om het park in te mogen. Onze chauffeur en gids doen wel erg hun best om ons zoveel en zo goed mogelijk de dieren van het park te laten zien. Bij de ingang zien we zelfs een enorme krokodil de weg oversteken, die wil je op de fiets niet tegenkomen! We zien wilde olifanten en zelfs een luipaard, dat laatste is toch gewoon een kwestie van geluk hebben. Die enorme kat steekt net voor onze jeep het pad over om aan de andere kant een dutje te gaan doen. Helaas blijken alle foto’s die we hiervan gemaakt hebben na thuiskomst onscherp. We zijn in eerste instantie een van de twee voertuigen die de luipaard spotten, maar binnen een mum van tijd verzamelen zeker tien voertuigen zich om een glimp van deze enorme kat te kunnen opvangen. Het dier trekt zich er gelukkig niets van aan en blijft lekker in het ochtendzonnetje liggen genieten van de aandacht. Tussen negen en half tien gaan alle jeeps vervolgens richting het strand om daar de meegebrachte ontbijtpakketjes te nuttigen. Daar zien we dat de week ervoor op tweede kerstdag een gedenksteen is onthuld ter nagedachtenis aan de circa 50 toeristen, chauffeurs en gidsen die daar tijdens de tsunami zijn verdronken. De tsunami raakte de kust van Sri Lanka rond kwart over negen, typisch een tijdstip waarop het merendeel van de bezoekers aan het park op het strand zijn gekookte eitje aan het pellen was. Het moet een drama geweest zijn, zeker als je het terrein in ogenschouw neemt: "nowhere to run".


Vanaf Tissa rijden we Hambantota waar de vernietigende kracht van de tsunami in stedelijk gebied ons voor het eerst zichtbaar wordt. We zien de halve huizen waar delen van muren zijn weggeslagen, de tenten en tijdelijke noodwoningen waar veel te veel mensen op een paar vierkante meter op elkaar gepakt zit. Verder valt op dat in Hambantota heel veel nieuwe minibusjes rondrijden, die zijn natuurlijk ook weggespoeld in de tsunami. En hoe afgezaagd het wellicht klinkt, wij vragen ons af waar al dat geld is gebleven dat ongeveer een jaar geleden geschonken is. Ons ontgaat het waarom een jaar na dato nog steeds mensen in tenten wonen terwijl de hulpverleners in fonkelnieuwe, duur Westerse terreinwagens er tussendoor rijden. Wij zullen het wel niet begrijpen. Wij rijden gewoon door richting Tangalle. Na Hambantota verlaten we de kust nauwelijks meer.

Tangalle - Hikkaduwa 

In Tangalle gaan we op zoek naar een hotel. Het is op basis van de beschrijvingen in de Lonely Planet en ons routeboekje nogal moeilijk om vooraf een hotel van onze voorkeur te verzinnen; je weet immers niet of het betreffende hotel nog bestaat en zo ja, hoe het na de tsunami is opgeknapt.  In Tangalle is het dan ook niet meteen raak als we een slaapplaats gaan zoeken. Ofwel het hotel bestaat niet meer, of het zit vol, of we vinden het veel te duur voor hetgeen het te bieden heeft. Uiteindelijk komen we uit bij het Eva Lanka hotel. Wederom niet bepaald een goedkoop hotel, maar wel een prachtige plek. Het Ayurveda-programma dat in het hotel nogal populair blijkt te zijn bij de Duitse gasten is weliswaar niet aan ons besteed, maar de zwembaden, bungalows en tuin zijn prachtig. We ontkomen niet aan het principe van halfpension, maar bij dit hotel kunnen we vervolgens wel zelf kiezen van de menukaart wat we willen eten. We zijn niet bepaald fan van halfpension waarbij je iedere avond hetzelfde voorgeschoteld krijgt. De bungalows zijn enorm (de kleinere versie is waarschijnlijk volgeboekt voor de Ayurveda groepen), daar je met een gezin ook prima in slapen. Een heerlijke variatie aan vers fruit als verwelkoming en onbeperkte flesjes water zijn de kleine dingen die het verblijf veraangenamen. Aan het einde van de prachtige tuin gaat een trap naar beneden naar het prive stuk strand dat we nagenoeg voor ons alleen hebben. Het is een stukje strand zoals je dat in de reisgidsen ziet staan. De zee slaat met forse kracht op de rotsen stuk en we kunnen uren blijven kijken naar de golven en de krabbetjes die tussen de rotsen hun heenkomen zoeken als ze ons waarnemen.

Na twee nachten en een zeer forse rekening stappen we weer op de fiets. Na de rust van het hotel met slechts het geluid van de zee, zou je bijna vergeten hoe het is om te fietsen in Sri Lanka. Na 500 meter fietsen waarbij je onder luid getoeter bijna van de weg wordt gereden door een bus weet je meteen weer wat fietsen in Sri Lanka kan betekenen. Van Tangalle fietsen we langs de kust naar Weligama. Onderweg zijn we teleurgesteld in de herstelwerkzaamheden na de tsunami. We zien vissersbootjes waarop de naam van de donoren is vermeld, zo zien we “Ut Gestels Pijltje” en “Gemeente Brasschaat” als naam vermeld op vissersbootjes. Verder zien we veel watertanks die zijn gedoneerd door de Zwitserse bevolking. We vinden de wederopbouw van de huizen teleurstellend. We zien nog veel mensen wonen in noodopvang zoals tenten en getimmerde hutjes. En het lijkt alsof de niet-bewoonbare huizen nauwelijks zijn afgebroken maar allemaal nog net zo staan als een jaar geleden. Veel van die huizen bestaan uit nauwelijks meer dan een paar halve muren en soms een half dak. Het ziet niet naar uit dat die huizen nog bewoonbaar zullen worden, dus vragen we ons af waarom ze nog niet zijn afgebroken. En Westers als we zijn, vragen we ons vooral af waarom die groepjes met mannen (veelal een drie- tot vijftal jonge mannen) rondhangen aan de kant van de weg en waarom ze niet gaan werken. Wat ons betreft is er genoeg op te bouwen, af te breken of op te ruimen om voorlopig niet doelloos rond te hangen, maar aan de slag te gaan. Ook dat zullen we vast verkeerd zien.


In Weligama zitten we in een splinternieuw hotel, waarbij tot onze vreugde zelfs het muskietennet nog geheel ongebruikt lijkt. Deze avond geen opgedroogde bloedvlekken van doodgeslagen muggen en geen pleisters om de gaten in het net te dichten. Een frisse kamer waarvan de verf nog maar net droog is. We hebben het niet gevraagd maar we gaan ervan uit dat het hotel dat er stond door de tsunami volledig is verwoest. We waren van plan om in Mirissa te overnachten, maar daar is de verwoesting nog steeds zo groot, dat we toch maar zijn doorgereden. We blijven ons maar afvragen wat er met al het gedoneerde geld is gebeurd. Het zit in ieder geval niet in de bouw van huizen. We zien af en toe een bord langs de kant van de weg staan met teksten als “het rode kruis bouwt hier 25 huizen”.  Dan denken we toch vooral dat 25 huizen niet bepaald zoden aan de dijk zet als er tientallen gezinnen in tentjes om de bouwplaats wonen. Als we dan in een dorp het grootste en mooiste pand zien dat het hoofdkantoor van Unicef blijkt te zijn en we regelmatig worden ingehaald door forse terreinwagens van Oxfam, Rode Kruis en Unicef, bedenken we toch vooral dat daar niet al die donaties voor gedaan zijn. Daarnaast zijn we bang dat een deel van het geld aan bizarre projecten is besteed. Zo struikelen we in Matara over lesauto’s, lesbussen en lesbrommers. We zijn een beetje bang dat iemand heeft gedacht “die mensen hebben geen nieuw huis nodig, laten we ze rijles geven”. In de buurt van Hikkaduwa komen we door een dorp waar men “Tsunami-evacuatiebordjes” heeft opgehangen. Vergelijkbaar met de bordjes zoals je op Franse campings kan zien. Het bordje geeft weer welke kant je op moet rennen als er een fikse golf aan komt, er hangen ook bellen op batterijen aan: wie die gaat aanzetten als het weer zo ver is ontgaat ons. Een ander dorp heeft geld geïnvesteerd in spandoeken boven de weg met de boodschap “welkom in een op een tsunami voorbereidde gemeente”. We zien alleen de verwoesting die door het natuurgeweld is aangericht en zien niet in wat voor zin de gemeente nu voorbereid zou zijn op een op een tsunami: alles ligt al plat moeten ze gedacht hebben.


We zijn van plan om in Galle te overnachten. We kunnen alleen geen geschikt hotel vinden. We zien niet echt iets wat we ons geld waard vinden. We willen geen badkamer delen, maar hebben ook geen zin om 250  US dollar te betalen voor een suite in het overigens zeer fraaie Galle Fort Hotel. We rijden dan maar door naar Unawatuna, maar ook daar slagen wij niet bepaald in het vinden van een hotel. We zien al met al op die dag heel wat hotels van binnen maar niets kan ons bevallen. Uiteindelijk rijden we door naar Hikkaduwa waar we vervolgens nog wat moeite hebben om het beoogde hotel te vinden. Hikkaduwa is namelijk het eindpunt van de reis van Vlieg&Fiets en dus is hier voor ons een hotelovernachtiging geregeld en een transfer richting Negombo. Wij gaan dus op zoek naar ons hotel. Een van de weinige minpunten aan het routeboekje van Vlieg&Fiets is dat bij het hotel in Hikkaduwa geen huisnummer vermeld staat. En dat is best lastig wanneer in Hikkaduwa alle hotels ofwel Beach, Sand of Reef in de naam hebben, dus dat helpt ons niet bepaald verder met zoeken. Het hotel blijkt ook nog van naam te zijn gewijzigd maar na wat heen en weer gefietst geraken we toch bij de juiste receptie. Helaas voor ons is die avond geen kamer beschikbaar, we zijn dan ook bijna een week vroeger dan gepland. Uiteindelijk nemen we voor twee nachten onze intrek in het Coral Sands Hotel een eindje verderop, waar Maureen voor het eerst tijdens deze fietsvakantie een serieuze poging doet tot onderhandelen en een kwart van de prijs afdingt. De te betalen prijs is dan eigenlijk nog steeds meer dan we de kamer waard vinden, maar we zijn dan onderhand wel toe aan een douche en wat eten. Wel wordt goed voor onze fietsen gezorgd. We mogen ze aan de overkant in een ander pand binnen zetten en de bewaker zal een oogje in het zeil houden.

Hikkaduwa - Negombo

Hikkaduwa is erg toeristisch, sterk gericht op Westerse strandtoeristen. We voelen ons er niet helemaal thuis. Heel veel mensen komen naar Hikkaduwa om te duiken of snorkelen.  Wat dat wel betekent is dat we de hele dag in de stank van de motoren van de toeristische bootjes zitten. Je struikelt er dan ook over de boten met de glazen bodem waarmee je naar de vissen zou kunnen kijken. Een van die glass-bottom boats voor het hotel heeft als donornaam “Dutch Reformed Church”. We kunnen ons niet voorstellen dat de donaties in het collectemandje bedoeld waren voor zoiets verderfelijks. Een vissersbootje kunnen we ons wel voorstellen, maar zeker geen toeristische attractie met schaars geklede toeristen die schade brengt aan het koraal. We hebben zelf ook overwogen om te gaan duiken, maar zien het toch niet zitten om vier dagen lang voor heel veel geld met een of andere slecht Engelssprekende hippie rond te moeten hangen. Bovendien kan Maureen nauwelijks zwemmen wat toch ook een factor van belang kan zijn. We hebben daarom besloten om zelf nog een stukje door te fietsen richting Colombo. De Vlieg&Fiets route eindigt in Hikkaduwa, maar de weg is dusdanig eenvoudig te vinden (altijd maar rechtdoor tot Colombo) dat we in twee etappes nog zullen doorrijden naar Mt. Lavinia. Zowel Vlieg&Fiets als AWOL, die beiden een fietsreis op Sri Lanka aanbieden, vermijden dit gedeelte; AWOL gaat met een grote bocht om Colombo heen en Vlieg&Fiets eindigt dus ruim honderd kilometer onder Colombo. Dat deel van Sri Lanka is vooral ingericht op strandtoeristen die een volledig verzorgde reis hebben geboekt en veel minder op de individuele toerist.

We hebben zowel in Beruwala als in Mt. Lavinia gemerkt dat we als fietstoeristen niet bepaald een warm welkom krijgen bij de duurdere hotels. In Beruwala zegt men onze reservering niet te hebben ontvangen, wij hebben de rekening echter al per creditcard betaald maar ook dat lijkt in eerste instantie niet te helpen. We weten ook wel dat we er bij aankomst niet bepaald fris uitzien, maar vinden dat geen reden om ons onbeschoft te behandelen. In Beruwala moeten we flink mopperen om de kamer geregeld te krijgen. De manager heeft uiteindelijk wel in de gaten dat we echt boos zijn en dat we blijkbaar toch wel tot de financieel voldoende bemiddelde doelgroep behoren. De volgende ochtend komt hij nogmaals zijn excuses aanbieden. Bij het Mt. Lavinia Hotel wil de bewaker bij de slagboom ons niet met onze fietsen doorlaten en vraagt wat we eigenlijk komen doen. Ongetwijfeld heeft hij de instructie gekregen dat fietsen op het hotelterrein niet zijn toegestaan. Als we hem antwoorden dat we een kamer hebben gereserveerd en dat hij zelf met al onze tassen mag gaan slepen als we niet door mogen met de fietsen, belt hij voor de zekerheid toch maar even naar zijn baas. De man komt al snel aangehold en gebaart de parttime Rambo om vooral de slagboom open te doen. Gelukkig heeft Maureen’s achterwiel de extra honderd kilometer nog gehaald. In Hikkaduwa ontdekten we dat Maureen een gebroken spaak had in haar achterwiel. We hadden voor onze voorgaande reis naar Pakistan al verzonnen dat haar fiets eigenlijk aan nieuwe wielen toe was. We wilden echter de aankoop uitstellen tot we terug waren uit Sri Lanka en dat is dus net gelukt. 


In Mt. Lavinia worden we opgehaald om met onze fietsen naar Negombo te worden gebracht. We willen niet op de fiets door Colombo worstelen. We hebben na vier weken en duizend kilometer niet het idee dat we op de fiets nog dringend de hoofdstad van Sri Lanka moeten bezoeken. Naarmate we dichter in de buurt komen van Colombo, kunnen we al duidelijk merken dat de weg steeds breder en steeds drukker wordt. We zijn blij dat we gebruik hebben gemaakt van de transfer, de stress en drukte van door Colombo fietsen is ons zo gespaard gebleven.

In Negombo hebben we na het voorbereiden van onze fietsen en bagage voor de vlucht nog een hele dag over. We hebben ook nog aardig wat rupees over. We gaan daarom mee op een Catamaran die speciaal voor dat doel op het strand van het Golden Star Beach hotel ligt. Maureen kan nog steeds niet goed zwemmen dus eigenlijk wilde ze niet mee. Ze heeft het niet zo op bootjes en water. Patrick voelde zich duidelijk een stuk zekerder op de catamaran. Hij neemt dan ook al snel plaats op de touwen. Maureen blijft zich daarentegen stevig vast houden aan haar zitplaats en schiet verkrampt af en toe een fotootje. Na een uurtje keren we weer terug naar het strand. De rest van de middag lezen we nog wat. We zijn helemaal klaar om naar huis te gaan. We zien als altijd wel weer op tegen de terugvlucht. Daarbij moeten we nu midden in de nacht opstaan omdat onze vlucht ’s ochtends vroeg vertrekt. Dat betekent dat we nauwelijks toekomen aan slapen. De incheckbalie op het vliegveld van Colombo is de langzaamste die we ooit hebben meegemaakt. Een kwartier per persoon lijkt eerder regel dan uitzondering. Snap je ineens waarom je zoveel uren van tevoren aanwezig moet zijn. Als we eindelijk aan de beurt zijn, kijkt de juffrouw achter de balie in lichte paniek naar onze fietsen. Wij zijn inmiddels nogal ervaren en stellen de dame gerust. Uiteindelijk brengen we ze zelf naar de bagageruimte en plaatsen de fietsen onder het toeziend oog van een bewaker op het juiste karretje richting het vliegtuig. Met ruim een uur vertraging vertrekken we uiteindelijk toch richting huis. Op Schiphol aangekomen blijken onze fietsen gelukkig deze vlucht goed te hebben doorstaan. Het door ons aangebrachte verpakkingsmateriaal is onbeschadigd. We laden de fietsen achter in onze BMW en rijden snel richting Utrecht, ons verheugend op schone kleren die niets met fietsvakanties te maken hebben. We vinden fietsvakanties een prachtige manier om landen te bezichtigen, maar zijn ook altijd weer blij om thuis te zijn. En als Bert en Poes dan klingelend komen aangelopen, weten we dat we weer thuis zijn.

 
Voor vragen of opmerkingen kun je ons Dit e-mail adres wordt beschermd tegen from spam bots, u hebt Javascript nodig om het te bekijken
'Dit reisverhaal is geschreven door Patrick en Maureen en is gepubliceerd op

WWW.PATRICKENMAUREEN.NET

Op de inhoud en opmaak van dit document is de Creative Commons Licentie van toepassing.
http://creativecommons.org/licenses/by-nc-sa/1.0/nl